Op een bepaald ogenblik fietste ik door de Valle de Manzanedo. Ik zag aan beide zijden bomen en rotsen en in de diepte het riviertje.
In die vallei zag ik ook enkele armetierige dorpjes en ik dacht: „Mensen, wat kwamen jullie grootouders hier zoeken?” Eén akker en dat was het. Waar leefden die mensen van?
Even later moest ik uit de vallei. En wat zeggen ze ook alweer? Hoe hoger je klimt, hoe dichter bij de zon? Nou, bij mij was het eerder dichter bij de wolken, hoor. Gelukkig spotte ik twee hertjes, die ik van heel dichtbij kon bewonderen.
Na drie uur fietsen, bereikte ik de top en na 50 meter dalen, ging voor mij een nieuwe wereld open: de zon scheen en ik kon eindelijk het landschap bewonderen.
Ik stopte in het eerste dorp om mijn tank bij te vullen.
Dalen deed ik niet meer. Ik zat op een hoogvlakte en dat zou een hele poos duren. Ik reed er kilometers lang rond een stuwmeer - hoeveel dorpjes zouden daardoor van de kaart geveegd zijn?
Pas in de namiddag volgde ik een nationale. Die liep parallel met een autostade.
Gelukkig volgde daarna een mooie afdaling tussen de bergen en na 109 km en 806 hoogtemeters, kwam ik aan in Los Corrales de Buelna.
Morgen gaat de rit naar de kust, waar ik de camino del norte zal volgen.
Voor wie van getallen houdt: de 2000 km heb ik vandaag ruimschoots overschreden.






Proficiat met de "mijl"paal van de 2000... Jeroen,
BeantwoordenVerwijderen